De dienstmaagd

Wordt het vrouwelijk hart niet veel eerder getroffen door ’t leed van anderen dan het hart van de man? Lijdt de vrouw niet veel spoediger mee, als ze anderen ziet lijden, en opent ze niet veel spoediger de hand, om de nood van den evenmens te lenigen. De aard van de vrouw is: helpen, dienen, beminnen.

Zelfs al is de vrouw, het oudere meisje, ongehuwd, ze wil voor iemand zorgen. Een onderwijzeres wijdt zich aan haar kinderen op school; de ziekenzuster verpleegt de patiënten in geduld en toewijding; de assistent-apothekeres vraagt belangstellend naar de toestand van de zieken: de dames van de Elisabethvereniging luisteren meelevend naar de klachten van haar onbekende personen; leden van vrouwelijke organisaties verplegen met zachte hand het zieke lichaam der maatschappij.

De vrouw wil voor iemand zorg dragen, zich aan iets wijden; ze moet genoegens vermeerderen of smarten verminderen. Het jonge meisje evenwel toont als opgroeiend kind nog maar weinig van die mededeelzame goedheid, van die helpende liefde. Ze is op dit punt nog onbeholpen, nog niet volgroeid, eerder geneigd om van anderen tegemoetkoming, hulp, een verrassing, attenties te ontvangen dan dit alles te géven.

En ongelukkiger wijze ontvangt zij soms zoveel attenties, wordt ze zo geflatteerd en gevleid en met lieve woordjes overstelpt, dat ze haar geest en gemoed niet tot rijpheid en volle wasdom laat komen, dat ze er niet aan denkt om van haar éigen innerlijke volheid mee te delen en anderen gelukkig te maken met haar zorgende genegenheid.

De liefde, die bij de volwassen vrouw in volle rijpheid zich openbaart, is bij het jonge meisje nog maar in de kiem aanwezig, ze is verborgen, sluimerend nog, nog de geur besloten blijft binnen de rozenknop. Die neiging tot geven en helpen moet ze vanaf haar jeugd ontwikkelen, die drang naar goedheid en welwillendheid moet ze trachten te versterken en niet alleen tot sieraad, doch ze moet ook anderen ten zegen worden.

Een wereld van enkel mannen zou verschrikkelijk zijn. Zij zouden elkander vernietigen door onderlinge strijd, door grenzenloze concurrentie en bestiale ruwheid. Alleen door de invloed van de vrouw ontwikkelt zich het streven, zich te verplaatsen in de gemoedsstemming van anderen, het streven met hen mee te leven, het verlangen zich te geven, anderen lief te hebben, evenals trouwens alle fijnere vormen van beschaving.

Opdat het meisje haar roeping ook naar waarde zal kunnen vervullen, moet ze er naar streven om echt “vrouw” te worden; zij moet die haar aangeboren neiging omzetten in daden. Ze moet woekeren met dit talent. De boom moet in volle bloei komen staan, mag niet verdorren; dan alleen zal hij rijpe vruchten voortbrengen.

Gelukkig het meisje, dat onder de wijze leiding en naar het aantrekkelijke voorbeeld van een liefdevolle en verstandige moeder de dienende liefde leert kennen en beoefenen. Beter gave kan een kind van de moeder niet ontvangen dan de vanzelfsprekende hartelijke goedheid en voorkomendheid voor anderen.

Geen opleiding tot wetenschap, kunst, uiterlijke bevalligheid heeft zoveel waarde voor de echte ontwikkeling van het meisje als haar opvoeding tot liefde. Want hier ligt het diepste en beste en kostbaarste van haar wezen, in de liefde ligt al haar kracht. Een vrouw die fijngevoelig is voor lief en leed van anderen, die haar hart wijd open draagt en overal genegenheid weet te geven, die niet aan zich zelf alleen, maar aan haar medemensen denkt, is machtiger dan een Napoleon, die een halve wereld veroverde.

Zij kan om zo te zeggen, alles van anderen gedaan krijgen om dat zij alles voor anderen doet. Zij zal bemind worden omdat ze zelf bemint, ze zal gelukkig zijn, omdat zij eerst anderen gelukkig maakt. Ze zal aan velen goed kunnen doen naar ziel en lichaam, omdat allen haar graag tot zich zien komen, ze zal veel liefde ontmoeten omdat ze veel liefde geeft. Haar aardse leven zal rijk zijn aan zuiver, hoog geluk, en haar hemel te schoner omdat ze er velen ontmoet, aan wie ze wel deed op de wereld.

Het meisje met een ontwikkelde zin voor dienende liefde wil er niet aan denken, dat de wereld er enkel zou zijn voor haar pleizier, dat zij het middelpunt hoort te wezen van allerlei attenties, dat zij enkel maar genieten mag van haar medemensen. Het is zaliger te geven dan te ontvangen, weet het meisje en daarom kan ze niet zien, dat moeder zich maar voor haar uitslooft en is ze er dadelijk bij om moeder het werk uit de handen te nemen. Over vaders gelaat ligt een droefgeestige trek, hij is wat stil, de liefdevolle dochter lijdt met vader mee en door kleine niet-opvallende attenties omringt ze hem.

Wanneer de huisgenoten soms verdriet, zorg, druk werk hebben, dan weet ze door een prettige lach, een vriendelijk woord of door haar hulp aan te bieden, weer spoedig de sombere wolk te verdrijven. Kleine liefdediensten weet ze eenieder te bewijzen met wie ze omgaat en dat niet met tegenzin, niet zuchtend, maar blij en opgewekt; ze vergeet zichzelf en haar tere hulpvaardigheid is als een verwarmende en koesterende zon, die allen wel doet: een engel van dienende liefde. Ze zegt: “Ik ben niet gekomen om gediend te worden, ik ben gekomen om te dienen.”

Bron: Kerkboek voor het Katholieke Meisje (1947)

Schelden doet u thuis

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s